Te lezen in het tijdschrift "Kunstzone" 06-2015

JA DAHAG!


IK BEN


TOCH GEEN


homo?!

THEATER ALS MIDDEL IN HET VO

AUTEUR: MEREL SPIKKER // VO


De jongeren die René Koenegras lesgeeft, hebben tijdens de eerste
les meestal niet echt zin in
theater. Toch zitten ze na
twee weken met zelfgemaakte
appeltaarten een half uur eerder in de les. En verliezen jongens - waar je niet naast wilt staan bij de bushalte -
zich in scènes en zeggen ze na drie kwartier spel:
‘We zijn toch net bezig  meneer?!’ In een interview
met Kunstzone onthult
René enkele geheimen van
zijn methodiekTheater als
Middel.
René Koenegras

René Koenegras is auteur van het boek, eigenaar van het bedrijf en bedenker van de methodiek Theater als Middel.
Een methodiek waarin theater dient als middel, vaak met als doel om sociale vaardigheden te trainen. In dit interview met René blijkt dat dat doel zich in de  loop der jaren heeft ontwikkeld tot een nieuw doel: de leerlingen geluksmomenten laten ervaren. Na professioneel toneel te hebben gespeeld, is René les gaan geven in het speciaal onderwijs. Na de eerste lessen stond het huilen hem nader dan het lachen. Dat is moeilijk voor te stellen wanneer je met hem spreekt, want de ene grappige en boeiende anekdote volgt op de andere. Toen het lesgeven destijds niet lukte, besloot hij zichzelf in te zetten als speler. Vanaf dat moment werd alles beter.

IDEE ACHTER DE METHODIEK

“EIGENLIJK GEEF IK LES OM LEERLINGEN GELUKS- MOMENTEN TE LATEN ERVAREN"

René geeft zijn methodiek
Theater als Middel aan
verschillende doelgroepen.
Het idee van de methodiek
komt voort uit een leerstraf
die hij jaren geleden heeft
ontwikkeld samen met Paul
Röttger van het Rotterdams Centrum Voor Theater.

Zij deden dit voor de Raad voor de
Kinderbescherming in opdracht van het Openbaar Ministerie om jeugddelinquenten
inzicht te geven in hun eigen gedrag. Inmiddels geeft hij de methodiek aan tienermoeders, jongeren met  psychische problemen, reboundinstellingen en op het praktijkonderwijs.
Reboundinstellingen - in Rotterdam nu OPDC (OrthoPedagogisch Didactisch Centrum) genoemd - zijn instellingen waar jongeren terechtkomen wanneer ze niet meer naar hun eigen school kunnen, bijvoorbeeld naar aanleiding van het gebruik van geweld op school of innerlijke problematiek zoals rouwverwerking en depressie of leerlingen die even een timeout
nodig hebben omdat de thuissituatie onstabiel is. Onder begeleiding van docenten en hulpverleners wordt er
gekeken of een jongere weer terug kan naar school en wat er moet gebeuren om de huidige situatie te veranderen.

In deze opvanginstellingen is René met name bezig met aanleren en observeren. Wat is het eerste aanbod in een scène? Slaat hij/zij iemand gelijk op zijn muil? Of durft iemand niet te praten? Soms vraagt een hulpverlener aan René of hij in zijn lessen erachter kan komen wat er bijvoorbeeld in de thuissituatie gaande is. Vaak wordt dit in de scènes of in het nagesprek duidelijk.

WAAROM WERKT HET?

Regelmatig krijgt René de vraag
van zijn collega’s: ‘Hoe kan het dat de jongeren zo open zijn bij jou?’ Hij onthult enkele geheimen achter zijn werkwijze.
RENÉ: ‘Één is echt contact maken. Dat betekent geen vooroordelen hebben. Jongeren voelen dat je onbevooroordeeld binnenkomt. Ze weten intuïtief of jij ze mag of niet. Of jij daar echt voor hen bent of met een
andere reden. Ik zet mezelf altijd aan, op die manier dat ik er helemaal voor hen ben.’
Voor het tweede geheim haalt René een onderzoek aan van het
University College of London dat stelt dat wanneer een groep een gemeenschappelijke lachbui heeft gehad,  mensen daarna meer persoonlijke informatie delen. ‘Lachen is ontzettend belangrijk in mijn les.


vervolg


Ik zorg ervoor dat er in de eerste opdracht veel hilariteit en plezier ontstaat. Op die manier schep ik de voorwaarde voor het theaterspelen, namelijk dat leerlingen het leuk vinden om de vloer op te komen. Daarnaast zijn ze na het samen spelen - al je zintuigen gebruiken en samen lachen tijdens het spelen - veel opener en willen ze uit zichzelf delen. Ook hier is positief benaderen ontzettend belangrijk.’ Het derde geheim is: niet dwingen. ‘Als ik in de les te veel ga praten, kunnen er te veel dingen misgaan. Dus ik begin gewoon met: ‘Hallo, ik ben René.We gaan beginnen. Als je iets niet wilt doen, doe je het niet joh! Doe ik ook niet.’ Hierdoor ontspannen ze. Waarschijnlijk denken ze iets van: ‘Oh gelukkig, het is niet zo’n zeikerd’. Ook worden zo de rollen omgedraaid: ik kom niet naar hen toe, zij moeten naar mij toe komen. Ze kunnen bij mij iets halen, niet andersom. Hierdoor voelen leerlingen zich relaxt en vrij en zeggen ze eerder wat ze zelf willen zeggen in plaats van dat ze iets moeten zeggen. En omdat het leuk is in de les en er veel gelachen wordt, wat voor die jongeren helemaal geen vanzelfsprekendheid is, komen ze wel naar mij toe.’

DOCENT-WORKSHOPS

René geeft ook workshops aan leraren. ‘Ik geef toe dat ik zelf een groot deel van de methodiek ben, maar je moet mij vooral niet nadoen. Je moet doen waar je goed in bent en dat inzetten bij je methodiek. Eigenlijk gaat het over de voorwaarden scheppen die nodig zijn om jongeren te enthousiasmeren. Hoe krijg je moeilijke
doelgroepen mee? Door iets authentieks van jezelf in de lessen te brengen. Dat leren de docenten in de workshop, naast de praktische zaken natuurlijk.’

“EIGENLIJK GEEF IK LES OM LEERLINGEN GELUKS-MOMENTEN TE LATEN ERVAREN”

HET HOOGSTE DOEL

De laatste tijd interesseren de sociale vaardigheden hem in de les steeds minder. RENÉ: ‘De sociale vaardigheden vaardigheden zijn een voorwaarde om theater te maken, maar niemand in de les heeft het over sociale vaardigheden. Eigenlijk geef ik les om leerlingen geluksmomenten te laten ervaren, dat is mijn hoofddoel en ook de reden waarom de leerlingen willen spelen. Kan ik een hoger doel hebben dan dat? Nee, volgens
mij niet. Het gevolg van het doel is dat leerlingen opener zijn, meer vertellen en sociale vaardigheden leren.’

WAAROM ZIJN ZE ZO GELUKKIG IN DE THEATERLES?

RENÉ: ‘Aan de ene kant omdat ze ontspannen zijn, ze moeten lachen, ze voelen zich veilig, ze worden niet gepusht, waardoor ze zichzelf kunnen zijn. Aan de andere kant, ik weet het niet, ik heb geen idee. Na twintig jaar zou ik het je niet kunnen zeggen, het zou arrogant van me zijn. Wat ik wel heb ontdekt: ik heb van alles geprobeerd met lesopzetten: eerst het lesdoel bedenken en dan de vaardigheden dan bedenken hoe je dat toetst, of alles juist omgedraaid. Allerlei systemen. Maar er was niets aan. Ja, de lessen lukten wel, maar het was helemaal niet leuk. Wat beter werkt, is het wat meer los te laten. Natuurlijk heb je een doel: je leerlingen. Maar als je het wat loslaat en daar vertrouwen in hebt, wordt het doel waar het voor die leerlingen om draait, vanzelf zichtbaar. Op die manier probeer ik te kijken achter de maskers die ze opzetten. Wat zit er achter: ‘Ja dahag! Ik ben toch geen homo?!’. En met wat daarachter zit, probeer ik te werken.’